Laat ik er niet omheen draaien: ik ben een schijtluis. Een rasechte, eenzame poeper. Mijn sluitspier heeft de gevoeligheid van een seismograaf; zodra er menselijke activiteit binnen een straal van tien meter wordt gedetecteerd, gaat de boel op slot. Het is een acute verkramping, alsof mijn bilspleet spontaan besluit te gaan staken. Als ik net lekker op dreef ben en ik hoor de postbode een envelop door de brievenbus mikken, trekt de keutel zich onmiddellijk in. Geen beweging meer in te krijgen. Ik moet de voordeur in het slot horen vallen, pas in de absolute anonimiteit van een leeg huis durf ik de pot te bestijgen.

Buitenpoepen is voor mij dan ook een onbegaanbare weg. Al staat het water me aan de lippen, ik kan niet gehurkt in het wild gaan zitten alsof er niks aan de hand is, terwijl een kameraad de wacht houdt en een koe me onnozel staat aan te gapen. Runderen hebben daar sowieso lak aan. Die draaien met het grootste gemak hun gespierde achterwerk naar je toe om, terwijl ze rustig doorgrazen, een flinke vlaai te deponeren. Dat multitasken beheers ik overigens ook: al poepend een paar Wordfeud-vrienden wegwerken, dat gaat bij mij in één moeite door. Dat noem ik pas letters leggen.

Nee, dan de olifant. Daar kan ik uren gefascineerd naar kijken. Wat een volume, wat een volharding! Het maakt die dikhuiden werkelijk geen reet uit hoeveel publiek er staat te koekeloeren. Ze produceren met het grootste gemak een rits gloeiende bowlingballen vol droog gras en jonge worteltjes. Als kind in de dierentuin hing ik al aan de lippen van de olifantenpoep. Ik was stralend jaloers op de verzorger. Wat een droombaan: de hele dag met je neus bovenop die magistrale monsters van kak staan en ze mogen aanraken wanneer je wilt.

Mijn passie bereikte een hoogtepunt toen het circus neerstreek in Raamsdonksveer. Dat was in 1978. Toen de schoolbel ging, rende ik als een bezetene naar het olifantenverblijf. Gewapend met een plastic zak van ons moeder stapte ik op de verzorger af. Of ik een drol mee naar huis mocht nemen? De man keek me aan alsof ik ze niet allemaal op een rijtje had, maar ik kreeg mijn felbegeerde trofee.

Thuis op mijn slaapkamer gaf ik de immense drol een ereplaats, pontificaal op mijn nachtkastje. Het moest het pronkstuk van de dag worden, want mijn vriendje Albert zou komen spelen. Om stipt 16:00 uur stapte hij enthousiast mijn slaapkamer binnen. Om exact 16:01 uur rende hij keihard de trap weer af, happend naar frisse lucht. Mijn moeder keek verbaasd op vanuit de keuken en vroeg: "Andy, waarom is Albert nu alweer weg?" Ik keek haar met een stalen gezicht aan en zei: "Ik heb werkelijk geen idee, ma. Snap er geen drol van".