In de aanloop van de Regionale Veteranendag in Dongen op 28 oktober, interviewt Weekblad Dongen drie heel verschillende Dongense militaire veteranen over hun ervaringen. Deze week het woord aan Klaas Reinalda. Hij vertrok in 1946 naar Nederlands-Indië.

Door Ruth Wilmans

Klaas Reinalda, geboren in Enschede, is nu bijna 98 jaar. Hij studeerde HTS elektrotechniek en was in WO II boodschappenjongen voor de brandweer en de ondergrondse en na de bevrijding onderdeel van de ordetroepen. Toen er werd gevraagd wie er naar Indonesië zou willen, bood hij zich vrijwillig aan: ”Ik heb me opgegeven, want ik wilde de wereld zien. Ik wilde het avontuur, maar ik werd helaas afgekeurd. Een tijd later kreeg ik een oproep voor dienstplicht en moest ik als militair alsnog naar Indonesië, wat toen nog Nederlands-Indië heette”. Defensie had dringend soldaten nodig en Reinalda kwam door de keuring. In het najaar van 1946 vertrok hij met het troepentransportschip de Bloemfontein naar het Oosten. ”Mijn dienstplicht en uitzending duurde 2,5 jaar. Daarna ben ik gedemobiliseerd en heb ik vier jaar in Indonesië gewerkt als technicus bij de kolenmijnen. In 1952 keerde ik terug. Ik heb niet in de gebieden gezeten waar de klappen vielen. Maar ik was liever meteen als burger gaan werken.“

Van verbinden naar orde handhaven

Klaas was eerst in Buitenzorg (Bogor, West Java) gelegerd. Hij werd ingedeeld bij het onderdeel artillerie: ”We moesten een chique Europese wijk beschermen. Overdag werd er gepatrouilleerd en ’s nachts werd er een kordon rond de wijk gelegd, met verschillende posten. Mijn taak was waarnemer en radiotelegrafist. We woonden best mooi, in villa’s maar zonder ramen. Samen met een collega kreeg ik de opdracht om een telefooncentrale te installeren en de huizen van de wijk met de centrale te verbinden, zodat men kon telefoneren. Daarna bemanden we deze centrale. Dat ging nog met stekkers. Je verbond op die manier de mensen met elkaar. Dat heb ik een klein jaar gedaan”. Bij de eerste ‘politionele actie’ een jaar later, ging Klaas naar Sukabumi. Vanaf dat moment draaide hij mee in de artillerie: ” Ik bemande de radio-set. Onze taak was het ‘herstellen van de orde.’ We gingen al snel door naar Cianjur richting Bandung. In Cianjur moesten we de omgeving rustig houden door patrouilles te lopen in samenwerking met de Nederlands-Indische politie.”

Thuis

In Buitenzorg was het volgens Klaas heel rustig. De plantentuin was prachtig en hij had een prima leven: ”Het eten van het leger was niet zo best, dus wij aten graag bij een Ambonees echtpaar dat Indisch voor ons kookte. We hadden baboes in dienst, die de was deden. Ze werden keurig behandeld. Op afstand heb ik wel gezien dat mensen die bij de inlichtingendienst verbonden waren, weleens wat minder vriendelijk met Indonesiërs omgingen. Maar dat deden ze dan ook liefst uit het zicht. De sfeer, de mensen, de heerlijke zon: ik voelde mij daar helemaal thuis. Ik had geen last van de warmte en ik was immuun voor de pokken. Ik kon heel goed met de mensen opschieten. Zo heb ik ook Maleis leren praten. Het was waarschijnlijk een beetje koeterwaals, maar ik kon me er goed mee verstaanbaar maken”.

Eenmaal op weg naar Cianjur gebruikten ze de radio-set om verbinding te maken met de kanonnen, de batterijen. Die radio-set had grote accu’s nodig: ”Ik heb een leuke herinnering aan de muilezel die het allemaal droeg. Aan de ene kant van de muilezel hing de radio-set en aan de andere kant de accu’s. Soms moesten we de sloot in duiken om ons te verbergen en dan bleef die muilezel rustig midden op het pad staan. Dat was een grappig gezicht. Ik heb geen bijzonder trieste dingen meegemaakt. Ik werd verliefd op het land en op de mensen.”

Met kanonnen door het land

Tijdens de politionele acties was er kans dat ze de vijand tegenkwamen en dat ze moesten strijden, maar Klaas kan zich niet herinneren dat ze één Indonesiër zagen op de route naar Sukabumi: ”We zijn langzaam opgerukt en namen posities in, richtte waarnemingsposten in en schoten waar vermoedelijk Indonesiërs zaten. Echter zagen we ze nooit. Ik vermoed dat ze, als we eraan kwamen, hun burgerkloffie aantrokken en in de sawa gingen werken.” Het dichtste bij het conflict kwam Klaas toen ze voor de artillerie de afstanden moest berekenen naar een andere berghelling tegenover hun positie, omdat daar volgens de inlichtingen de Indonesiërs zaten. ”We schoten met het kanon op de berghelling om te zien of we goed gericht hadden, maar we kregen nooit tegenvuur. Dat was voor mij het dichtste bij het conflict en ik heb dus gelukkig nooit een vuurgevecht meegemaakt. Ik ben als waarnemer en als radiotelegrafist één keer met de infanterie opgetrokken, maar toen is er ook niets gebeurd. De verhalen heb ik uiteraard wel gehoord. De infanterie jongens kunnen namelijk hele andere verhalen vertellen.”

Nederland arm?

Klaas kreeg na 2,5 jaar het bericht dat hij vervroegd uit dienst mocht. Hij ging met de Catalina, een vliegtuig wat op het water kon landen, naar Oost Borneo. Daar werd hij chef Electro Mijnbouw in de steenkolenmijnen.”Het was daar ook prachtig. Ik bleef 4 jaar, toen moest ik weg, want het werd te gevaarlijk.”

Klaas wist al vrij snel dat de Indonesiërs gelijk hadden. Op zijn reis terug naar Nederland in ’52 sprak hij met een paar Engelsen over India, waar het proces volgens hem in wezen hetzelfde was: ”Alleen Engeland heeft niet de stommiteit begaan om een complete oorlog te beginnen. Onze overheid was erg kortzichtig en bang dat Nederland een arm land zou worden. Het was een doelloze oorlog en we hadden er geen recht op. Gelukkig proberen de missies van defensie tegenwoordig de conflicten op te lossen.”

Stomme regering

Ondanks alles, had Klaas zijn uitzending niet willen missen. Hij vond het een buitengewoon bijzondere ervaring: ”In die tijd dacht ik dat we een goed en belangrijk doel dienden; we moesten Indonesië weer netjes op orde brengen. Later leerde ik dat Indonesië daar helemaal niet op zat te wachten. Ik dacht ook, dat ze hun land niet konden besturen zonder ons. Maar dat had ik mis. Ik heb langzaam maar zeker geleerd dat de Indonesiërs het heel goed zelf kunnen én dat ze het volkomen recht hadden om zelfstandig te willen zijn. Die ideeën zijn langzaam gegroeid. Ik ben ook gaan inzien met alles wat er in de wereld gebeurde, betreffende koloniale gebieden, dat het stom was van de Nederlandse regering om daar die oorlog te beginnen.”

Maleis

De veteraan bezocht Indonesië zo’n 25 jaar geleden met zijn vrouw: ”Ik heb op mijn reis gezien dat het land met vallen en opstaan, aardig op peil kwam. En dat er best heel kundige mensen rondlopen. Ik spreek ik nog wat Maleis. Ik merkte dat de doorsnee Indonesiër gelukkig helemaal geen rancune heeft. Ik kon er openlijk mee praten. Voor hen is de oorlog is voorbij. Het was heel fijn om er weer te zijn.”