In de aanloop van de Regionale Veteranendag in Dongen op 28 oktober, interviewt Weekblad Dongen drie heel verschillende Dongense militaire veteranen over hun ervaringen. Deze week het woord aan Louis Schoonenberg. Hij vertrok in 1995 naar het voormalige Joegoslavië.

Door Ruth Wilmans

Louis Schoonenberg is 52 jaar en een geboren en getogen Rotterdammer. Hij woont sinds 4 jaar in wat hij noemt het ’prachtige Dongen’. Schoonenberg rijdt graag op zijn motor, doet aan geocachen en geniet van zijn goede leven. In 1990 is hij dienstplichtig soldaat en solliciteert tegelijkertijd binnen defensie naar een baan als ‘technisch specialist’ in de functie van takelwagenchauffeur. Hij wordt aangenomen met een contract voor 5 jaar en begint in oktober 1991. “Een bijkomend voordeel van deze baan was, dat er een burgeropleiding aan vast zat, in mijn geval een volledige chauffeursopleiding en het bergingsbrevet.” Halverwege 1994 kreeg Schoonenberg tot zijn verrassing te horen dat hij als takelwagenchauffeur toegevoegd werd aan de 13e luchtmobiele brigade in Assen en dat hij na een voorbereiding van 2 maanden in januari 1995 met Dutchbat 3 uitgezonden zou worden naar het voormalige Joegoslavië.

Drie compagnieën

De belangrijkste taken van Dutchbat waren het beschermen van de enclave Srebrenica en de stad Tuzla. Een belangrijk onderdeel daarvan was het observeren vanuit de observatieposten en rapporteren wat er op en rond de confrontatielijnen gebeurde en welke troepenbewegingen er waren. Er werden ook sociale patrouilles gelopen om het contact met de lokale bevolking te onderhouden.

“Dutchbat 3 was nog zoveel meer dan de enclave Srebrenica”, vertelt Schoonenberg. Het Dutchbat bataljon bestond uit 3 infanterie compagnieën. De Alfa compagnie waar ik bij ingedeeld was, ging als zelfstandige eenheid van 180 man naar Simin Han, een klein plaatsje ten oosten van de stad Tuzla en een kleine 100 kilometer van Srebrenica. De Bravo compagnie ging naar Srebrenicastad. De Charly compagnie legerde in Potocari waar ook het hoofdkwartier was gevestigd.”

Water halen

“Ik kwam daar als takelwagenchauffeur, maar helaas was er op de compound geen takelwagen. Omdat de legerplaats geen enkele ‘nutsvoorziening’ had en alles door ons zelf geregeld moest worden, kreeg ik als taak om dagelijks met de waterwagen ongeveer 20.000 liter douchewater en 5.000 liter drinkwater te halen bij de compounds in de buurt.” Dat deden Louis en zijn maat bij de Noorse medische- en transporteenheid en het Nederlandse Support Command, beide ten westen van Tuzla. En ook haalden ze water bij het vliegveld van Tuzla, waar het commandocentrum van de VN was. “Daarnaast hadden we regelmatig andere chauffeursklusjes waaronder, op verzoek van artsen zonder grenzen, met een kiepwagen grind brengen ter bescherming van een weeshuis, dat heel gevaarlijk op enkele meters van de confrontatiegrens lag.”

Iets van het land zien

Na 3 maanden vroeg het Support Command of Schoonenberg mee wilde helpen om de bevoorradingskonvooien met o.a. voedsel, post en brandstof te rijden. “Dit wilde ik natuurlijk wel, want dan kon ik ook nog wat van het land zien. Tijdens dit konvooi-rijden ben ik drie keer in de enclave Srebrenica geweest met bevoorrading en de post. De manschappen daar waren erg dankbaar, want de Serviërs lieten weinig konvooien door.” De leefomstandigheden in Simin Han waren best goed maar Louis ging heel graag naar de Noorse eenheid. “Er was daar goed eten, een eigen zwembad en een prachtige bar die de Noren zelf gebouwd hadden. We hebben er vaak ontbeten. En op verzoek van de Noren gingen wij met onze waterwagen het zwembad vullen, met als ‘verplichting’ dat wij het als eerste moesten uitproberen. Dat konden we hen natuurlijk niet weigeren!”

Spanning

Naast de plezierige momenten was het ook duidelijk dat hij uitgezonden was naar een land in oorlog. Louis vertelt dat hij deze zes maanden onder behoorlijke spanning leefde. Er werd regelmatig met mortieren in de richting van de compound geschoten. De manschappen moesten dan enkele uren in de bunker verblijven. Op het naastgelegen kruispunt werd vaak in de avond en nacht door de ‘strijders’ in de lucht geschoten, of er werd een handgranaat vlak naast het hek gegooid. In maart werd de observatiepost van de Alfa compagnie door mortiervuur getroffen en is soldaat Broere om het leven gekomen. In juni is het pantserrupsvoertuig tijdens het transport van observatiepost naar de compound beschoten. Hierbij zijn de voertuigcommandant en boordschutter ernstig gewond geraakt. “Beide voorvallen hebben een diepe indruk op mij gemaakt. Dat was ook omdat wij vaak met onze ongepantserde waterwagen vlak achter deze transporten aan reden. Er kon dus altijd wat gebeuren. En tijdens de konvooien hadden wij regelmatig problemen bij de roadblocks. Je zag dat er van diverse kanten wapens op je gericht waren. Men probeerde ons van een deel van onze lading te beroven. Gelukkig is dit uiteindelijk nooit gelukt.” Het was lastig om met die spanning om te gaan. De methode van Louis was: “er niet over praten, dan is het er niet.”

Lange haren

Louis heeft zijn hele leven, lang haar gehad. Dat hoort bij hem. Helaas was lang haar niet toegestaan op uitzending door de VN. De commandant van de Alfa-compagnie had met Louis de afspraak gemaakt dat hij zijn haar alleen vòòr uitzending moest afknippen tot de lengte van zijn kraag. Bij het laatste konvooi naar Srebrenica zag de plaatsvervangend commandant van Dutchbat Schoonenberg lopen. “Hij vond lang haar niet ‘Dutchbat waardig’. Hij nam direct contact op met mijn commandant bij de Alfa-compagnie, met de mededeling dat ik bij terugkomst op de compound direct mijn haar moest laten knippen. Maar ik wilde mijn haar niet kwijt. Ik ben vaak heel meegaand maar hierin ben ik strijdig. Ik ging bijna naar huis, ging in september trouwen en wilde er dan uitzien zoals ik ben. Gelukkig wilde de commandant zich aan zijn afspraak met mij houden. De consequentie was dat ik niet meer van de compound af mocht. Zodra er hoogwaardigheidsbekleders kwamen, moest ik onderduiken. Zo heb ik ook het bezoek van - toen - prins Willem Alexander gemist.”

Bloedsuikerspiegel?

Na terugkomst in Nederland had Louis wel wat problemen. “Ik werd licht in mijn hoofd en kreeg paniekaanvallen. Het kon me plots overvallen. Ik wist het niet wat het was. Ik moest naar huis, want daar was het goed en veilig.” Er was weinig begeleiding vanuit defensie. De militair arts adviseerde Louis om druivensuiker te eten omdat het misschien wel zijn bloedsuikerspiegel zou zijn. “Het woord PTSS was toen nog niet zo bekend als nu”, zegt Louis. “Waarschijnlijk had ik er lichte symptomen van. Gelukkig is het langzamerhand weggeëbd.” Sinds een jaar of 11 gaat Louis naar Bevrijdingsdag in Wageningen en Veteranendag in Den Haag omdat het contact op deze dagen met medeveteranen zo intens goed doet. “Je hebt allemaal dezelfde shit meegemaakt en hebt aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen.”

Kameraadschap

In 2018 is Louis met zijn vrouw voor het eerst terug gegaan naar Bosnië. Het echtpaar heeft toen alle routes van de konvooien opnieuw gereden en zijn op alle plaatsen geweest waar de veteraan in ‘95 ook was. “Dit heeft mij heel veel goed gedaan en rust gegeven. We ervaren het land nu als een mooi vakantieland, met een zeer vriendelijke en behulpzame bevolking.”

Louis wilde niet uitgezonden worden, maar het was als beroepsmilitair een verplichting om te gaan als je werd aangewezen. “Achteraf heb ik geen spijt dat ik gegaan ben. Ik heb veel kameraadschap meegemaakt en ik kan wel zeggen dat ik er een 2e familie aan over heb gehouden. Je gaat echt voor elkaar door het vuur en dat is heel erg mooi om mee te maken.”