De zon kwam waterig door in de ochtend voor kerst Het had ‘s nachts flink gevroren want er lag ijs op de vijver. Hier en daar vlogen wat vogeltjes op zoek naar voedsel voor die dag. Kleine Sem van zes jaar leunde op de vensterbank voor het raam en keek ongeduldig naar buiten. Muts, sjaal en handschoenen binnen handbereik, dan kon hij meteen de deur uit rennen want opa kon elk moment komen om hem op te halen om samen naar het vennetje in de Duiventoren te gaan om te kijken of het ijs dik genoeg was om er de volgende dag op te schaatsen.
De kleine lichtblauwe auto stopte en opa toeterde, tututut. Sem griste zijn spullen bij elkaar, “Doei Mam” - en hij rende enthousiast naar buiten. Zijn moeder riep hem nog wat na maar hij had geen tijd meer voor haar. Hij rende over het tuinpad, sprong in de auto en vloog zijn opa om de nek. “Opa opa!!” Mama zag het auto’tje toeterend uit het zicht verdwijnen.
Aan de rand van het bos parkeerde opa de auto en pakte zijn laarzen uit de kofferbak. Terwijl hij die aan trok zei hij: “We moeten nog even lopen voor we bij het vennetje zijn.” Dat vond Sem niet erg. Genoeg te zien en te kletsen onderweg. Ze gingen rechtsaf over een bevroren zandpad. Ineens stopte opa, pakte Sem bij de arm en zei verbaasd: “Kijk nou toch, wat is dat voor een huisje! Dat heeft daar nooit gestaan! Wat heeft dat te betekenen!”
Er brandden lampjes in het huisje. Zo nu en dan bewoog er iets achter het raam. Behoedzaam liepen opa en Sem hand in hand naar het huisje. Zij hielden de pas in toen zij voelden dat vele ogen hen volgden. De deur van het huisje zwaaide open en toen de twee zich geschrokken omdraaiden om weg te rennen, werden zij door een onzichtbaar net omsloten en naar binnen getrokken.
In het midden van de kamer stond een verlichte kerstboom, tegen de muur een grote sobere kast met drie halfopen lades, verder niets, geen tafel of stoelen. Wel knapperde er een houtvuur in de open haard. “Wat is dit voor circus!” Beschermend trok opa Sem naar zich toe en keek rond om een vluchtweg te ontdekken. Toen hij merkte dat als bij toverslag ineens de ramen en deuren waren verdwenen werd hij pas echt bezorgd.
Samen stonden ze voor de brandende open haard. Sem keek met betraande ogen omhoog naar opa. “Niet bang zijn jongen, ik vind wel een oplossing, ik heb voor hetere vuren gestaan!” zei opa. En toen veranderden de vlammen van kleur en doofde het vuur. De rookpluimpjes die ervan af kwamen grepen elkaar vast en vormde zich tot de onwerkelijke gedaante van een tandloze dwerg. “Sjaak is de naam, zo heet ik vanwege mijn werk. IK krijg altijd de rotkarweitjes, IK ben altijd de Sjaak!”
“Whatsjoe!” Sjaak nieste luid. “En ik ben allergisch voor mensen, vooral als ze bang zijn! En toch laten ze mij elk jaar mensen ophalen om die mee te nemen naar mijn wereld, alsof aardlingen daar iets van snappen! Dus nu ben ik alwéér de Sjaak hè!” Hij rommelde wat in zijn vestzak. Opa en Sem slopen achter de kerstboom om een uitweg te zoeken. “Zoek maar niet. Mijn collega’s buiten hebben de ramen en deuren laten verdwijnen!” Zei Sjaak.
Het vuur laaide plotseling hoog op. “Het is tijd, spring!” riep Sjaak en hij trok opa en Sem naar het vuur. Ze vochten als leeuwen om niet in de vlammen te belanden maar het mocht niet baten. Opa en Sem schreeuwden toen Sjaak hen in de open haard duwde. Maar tot hun verbazing werden zij zachtjes opgepakt door een aangename warmte die hen zo licht maakte dat ze achter Sjaak aan konden zweven naar een andere wereld.
Tijdsbesef was er niet en tijdens de lange vlucht werd gezwegen. Nadat zij de grote, felgekleurde boog waren gepasseerd landden zij voor de voeten van een oude man die op een knokige witte stok leunde. Sjaak stapte naar voren. “Hier, twee mensen, net als vorig jaar. Nou goed? Volgend jaar ga je zelf maar op pad!” en hij liep mopperend weg. Hoofdschuddend keek de oude man hem na en zei “Sjaak heeft een communicatieprobleem. Ik ben Tobias en ik zal jullie laten zien waarom jullie hier zijn.” Hij liep voor opa en Sem uit en opende de deur naar een andere wereld.
In een grote ruimte stonden koperkleurige machines die werden bediend door wezens met lichtblauwe glinsterend vleugels. “Wie zijn dat?” Vroeg Sem. “Dat zijn de Geluksvogels,” zei Tobias en zij werken nu aan ...” Maar hij kon zijn zin niet afmaken. “Ooh, Tobias, kom, kom snel! De bovenkamer!” In paniek kwam Pandory, een kleine vrouw aangerend. “Ze zijn ontsnapt, ze zijn weer bezig!” Zo snel als zijn oude benen hem konden dragen rende Tobias achter Pandory aan en wenkte opa en Sem “Kom, volg mij!”
Zij renden een lange trap op en hoe hoger zij kwamen, hoe luider kreten van angst te horen waren. Boven aan de trap hield Tobias opa en Sem met een handgebaar tegen. “Wacht”, zei hij en hij liep alleen verder naar de deur waar het geschreeuw vandaan kwam. Sem wees naar het bordje op de deur, Pechvogellokaal stond er. Tobias wenkte. Nieuwsgierig volgden opa en Sem hem op afstand naar de sinistere ruimte en zagen hoe duistere wezens met opgeheven vuist mensen in bedwang hielden in de hoek van de kamer.
Ruw werd de stok van Tobias uit zijn handen gerukt door een donkere schaduw. Tobias viel op de grond en de schaduw boog over hem heen en hield hem in bedwang. Opa twijfelde geen moment en stortte zich met een oerkreet in de strijd, hij riep “Pak die stok Sem! Gooi hem naar Tobias!” Sem dook onder de schaduw door en volgde het bevel van opa op, maar gooide nét niet ver genoeg. Tobias graaide naar de stok maar kon hem niet pakken. Terwijl hij over de grond rolde riep hij “Pandory, help ons!” De kleine vrouw kwam aangerend en rukte met een schreeuw het deksel omhoog van een grote doos die midden in het lokaal stond. De schaduw en de boosaardige wezens schrokken en Sem zag zijn kans schoon en schopte de stok verder. Nu kon Tobias de stok pakken, wreef erover en wees naar de grote doos. Tegenstribbelend en krijsend verdwenen de schaduw en zijn helpers in de doos van Pandory, die met een klap het deksel liet vallen.
Nog natrillend van de spanning kwamen de mensen uit de hoek, bedankten Tobias, opa, Sem en Pandory en maakten een diepe buiging. Opa klopte het stof van zijn broek. “Ik ben me rot geschrokken, wat was dit?” “Dit waren de Roofvogels”, zei Tobias. “Zijn van de zwarte orde, als ze hun kans schoon zien ontsnappen ze en beroven in dit lokaal iedereen van hun geluk.”
Sem raapte wat boeken op die van de tafeltjes waren gevallen “Is dit een soort school?” vroeg hij. “Ja,” zei Tobias. “Hier leren we de Pechvogels om Geluksvogels te worden, die we net beneden hebben gezien.”
Opa werd ongeduldig. “Het is een gekke wereld waar jullie in leven. Ik weet niet waarom we hier zijn, maar ik wil graag terug naar huis.” Tobias glimlachte en zei: “Jullie moeten wat mee terug nemen, ik zal Sjaak vragen om jullie terug te vliegen.”
Ze liepen napratend de trap weer af en toen ze weer beneden waren gaf Tobias een grote, dik gevulde reistas aan opa en Sem. “Wat zit erin en wat moeten we daarmee?” “Deze tas mag je pas open maken als je weer in je eigen wereld bent. Maar nu neem ik afscheid van jullie, bedankt voor alles.”
Tobias draaide zich om en zijn beeld vervaagde terwijl hij wegliep. Daar kwam chagrijnige Sjaak weer tevoorschijn. “Nou, hier ben ik weer. Moet ik jullie weer terugbrengen terwijl ik nét aan de Schrobbelèr zat!”
Opa had de reistas onder zijn ene arm geklemd en met de andere hield hij Sem stevig vast en hij zei: “Er zijn dus eigenlijk maar drie vogelsoorten: Geluksvogels, Pechvogels en Roofvogels.” De terugreis vloog om en het duurde niet lang tot ze de Duiventoren weer zagen. Ze landden op de plek waar het huisje had gestaan, alleen was het huisje weg, alles was weer als vanouds.
Sjaak was blij dat hij meteen terug kon naar de Schrobbelèr. Hij knikte naar opa en Sem. “Zo, karwei geklaard, Houdoe!” En weg was hij.
Toen opa en Sem de reistas openden keken zij verbaasd naar de duizenden kleine glinsterende lichtblauwe veertjes. “Wat zullen we nou weer krijgen”, riep opa verbaasd en hij pakte het briefje dat bovenop lag. Er stond een boodschap van Tobias op:
“In deze tas zitten wensveertjes van de Geluksvogels. Laat ze hier los, dan kunnen ze terecht komen in Dongen. Ze brengen liefde en geluk en ook nog de aller-allerbeste wensen en veel wijsheid voor 2025.”
Nelleke Grönloh
